Beste parochiane, beste parochiaan,
Beste lezer(es),

De actuele situatie maakt het ons onmogelijk om – hoe graag we het ook  willen – Pasen te vieren zoals gewoonlijk.
Mag ik u uitnodigen om de tekst te lezen die volgt?

Op paasmorgen stelt de liturgie ons volgende bladzijde uit het Johannes evangelie voor :   

“Op de eerste dag van de week
kwam Maria Magdalena vroeg in de morgen – het was nog donker –
bij het graf en zag dat de steen van het graf was weggerold.
Ze liep snel naar Simon Petrus en naar de andere,
de door Jezus beminde leerling,
en zei tot hen:
“Ze hebben de Heer uit het graf genomen
en wij weten niet waar ze hem hebben neergelegd.”
Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf.
Ze liepen vlug voort,
maar die andere leerling snelde Petrus vooruit
en kwam het eerst bij het graf aan.
Voorover bukkend zag hij de zwachtels liggen
maar hij ging niet naar binnen.
Simon Petrus die hem volgde kwam ook bij het graf en trad wel binnen.
Hij zag dat de zwachtels er lagen,
maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt
niet bij de zwachtels lag,
maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats.
Toen ging ook de ander leerling
die het eerst bij het gaf was aangekomen naar binnen;
hij zag en geloofde
want zij hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de doden moest opstaan.”

“Hij zag en geloofde.”
Maar wat zag de door Jezus zo geliefde leerling?
Een open en leeg graf, de zweetdoek maar geenszins het lichaam van Jezus.

En wat geloofde hij?

Dat Jezus uit de doden was opgestaan.
Hier geraken wij toch niet goed wijs uit.
Een leeg graf bewijst toch nog geenszins een verrijzenis.
Tenzij je onder verrijzenis gelijk wat zou verstaan.
Een indruk, een gevoel om jezelf te overtuigen en het niet op te geven.
Maar het is wel in naam en uit kracht van dit geloof dat de apostelen hun leven hebben gegeven en dat ook vandaag nog mannen en vrouwen sterven.

Zeggen dat Jezus verrezen is, is bevestigen dat Hij leeft, dat Hij de dood heeft overwonnen.

Zoiets beweren en geloven, dat is toch niet niks.
Ik weet wel, er zijn ook nog de verschijningsverhalen. De Verrezene toont zich herhaaldelijk.

Maar toch overstijgt de verrijzenis van Christus onze menselijke begrippen, woorden, categorieën en evidenties.
Een verschijning doet een beroep op ons geloof, is meer vraag dan antwoord. 

Het “mysterie” van de verrijzenis vraagt een gelovige benadering.
De historische wetenschap kan ons wel helpen om beter te vatten hoe de apostelen tot dit geloof zijn gekomen en ze kan ons ook behulpzaam zijn bij het grondig analyseren van de (bijbel)teksten.
Maar de (historische) wetenschap kan nooit het geloof vervangen.
Met de haar eigen methodes kan ze nooit bewijzen dat Jezus verrezen is.
Ze kan alleen maar sporen inventariseren en naar hun waarde schatten.
Sporen van de zichtbare zijde van een gebeuren dat voor de gelovigen ook een teken is van een onzichtbare werkelijkheid.

Zelfs voor de apostelen was de waarheid van de verriizenis geenszins een evidentie die zich aan hen opdrong.    
Wel integendeel!
De evangeliën tonen ons hoe ze aarzelen en twijfelen.
Tussen hen en ons zijn veel gelijkenissen.

Hun ogen zien sporen, tekens. Maar deze volstaan niet om te geloven in de overwinning van Jezus op de dood.

Het zijn niet de ogen die geloven, maar het hart.
Zo is het niet toevallig dat, in de aangehaalde evangelietekst, de eerste die tot geloven komt, net “de door Jezus beminde leerling” is.
De vriendschap van Jezus heeft zijn hart verfijnd, gevoeliger gemaakt en plots begint hij de tekens te lezen die hij in het graf ontwaart.

Deze stap-tot-geloof is eigenlijk niet zo vreemd.
In onze ontmoetingen met anderen zien we vaak hetzelfde.
Er zijn zichtbare tekens maar we gaan verder dan het louter zichtbare.
We interpreteren die (zichtbare) tekens en we ontdekken zo een diepere werkelijkheid.
Een voorbeeld: twee mensen geven elkaar een handdruk. We zien dit. Maar dit gebaar kan ook teken zijn van een verzoening. In tegenstelling tot de handdruk zien we de verzoening niet. Om in bepaalde situaties in een stevige handdruk een teken van verzoening te “zien” moet je willen en kunnen doorstoten naar een dieper (op zichzelf onzichtbaar) niveau.    

En toch eindigt het eerder geciteerde evangelieverhaal hier nog niet.
We lezen verder: “Ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de doden moest opstaan.”
Meestal gaat men aan deze zin voorbij.

De sporen die in het graf liggen zijn niet voldoende of beslissend.
Alvorens te geloven dat Jezus verrezen is, zullen de apostelen ook nog te rade gaan bij de Schrift.  

Is dit niet eigenaardig?

Wat komt de Schrift, de bijbel hier doen?

Voor de leerlingen en ook voor ons, verhaalt de Schrift al wat God voor zijn volk  gedaan heeft.
De Schrift vertelt ons Gods weergaloze trouw die, bij de Uittocht uit Egypte, sterker is dan de honger en de dorst in de woestijn.
Ze verhaalt ons ook hoe Gods trouw sterker is dan de veroveraars die Jeruzalem verwoesten en het volk dwingen tot ballingschap.

De Schrift verkondigt de liefde van een God-Vader die eindeloos teder is  ondanks het soms stenen hart van de zondaar, een God die op zoek gaat naar wie verloren of vast is gelopen zoals de Samaritaanse vrouw bij de waterput, de blind-geborene of Martha die ontredderd is wegens de dood van haar broer Lazarus…

Na de ontdekking van het lege graf, geconfronteerd met deze nieuw afwezigheid van Jezus, ontredderd en als verloren en met een Petrus die kort tevoren Jezus verloochende en Hem nu niet terugvindt, herinneren de leerlingen zich hun God.
Die God waarover en waarvoor Jezus met geheel zijn leven gesproken en getuigd heeft.
Zo komen de leerlingen tot het besef dat de ontmoetingservaringen en de tekens die ze in het graf hebben gevonden, spoor en teken zijn dat God, die hen graag ziet en trouw blijft, het leven van zijn Zoon, die uit liefde gestorven is, niet verloren heeft laten gaan.
Doorheen de verrijzenis heeft de Vader het onrecht dat zijn Zoon veroordeelde, aan de kaak gesteld. De zaak Jezus is dus met zijn dood aan het kruis niet beslecht!

Van dan af begeestert een nieuwe kracht de leerlingen. Ze is sterker dan de angst die hen voorheen deed vluchten of verloochenen.

Midden het geloofsduister begrijpen ze de tekens.
Doorheen deze tekens komen ze tot de Paasboodschap : Christus is verrezen!

Christus is verrezen maar Hij blijft trouw aan zichzelf.
Toen Hij nog rondtrok drong Hij zich niet op met kracht of geweld.
Zelfs niet tijdens zijn kruis-weg.
En ook nu doet Hij zich niet gelden, dringt Hij zich niet op aan zijn leerlingen.
Zelfs zijn vijanden straft Hij niet.

We begrijpen nu beter de terughoudendheid, de discretie van Pasen : Jezus doet een beroep op het geloof van zijn leerlingen; ze kunnen, al dan niet, vrij instemmen en zo verder zetten wat Hij eerder met hen begonnen is.  

Jezus leeft opnieuw. Hij verzamelt zijn leerlingen maar het is anders dan voorheen.

Hij staat voor de deur van ons hart.
“Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.” (Openbaring 3, 20).      

Hij leeft want Hij is verrezen.
Dit is het ongelooflijke nieuws van Pasen. Alleluia.

Graag wens ik u een zalig en deugddoend paasfeest.

                                                           Robrecht Boone